Ga naarhoofdnavigatie, zoekvak of decontent

Financiers als ambassadeurs

28-06-2013 | Het Scheepvaartmuseum bestaat bijna honderd jaar. Maar het is modern en toekomstgericht. “We zijn een museum met een eigentijdse financiering”, zegt directeur Willem Bijleveld.

5-luik-scheepvaartmuseum

Het Scheepvaartmuseum is oorspronkelijk een particulier initiatief, vertelt Willem Bijleveld, sinds 1997 algemeen directeur van het museum in Amsterdam. “Particuliere verzamelaars voegden rond 1916 hun maritieme collecties samen. Bovendien brachten ze het kapitaal bijeen voor de bouw van een pand bij het Vondelpark. Daar ging Het Scheepvaartmuseum in 1922 van start.” De financiering van het museum bleef tot in de jaren zeventig min of meer hetzelfde. Bijleveld: “We ontvingen weliswaar ook wat overheidssubsidie, toch draaiden we grotendeels op bijdragen van particulieren.”

CV Willem Bijleveld

(1952) studeerde astronomie in Leiden. In 1984 werd hij adjunct-directeur van het Omniversum in Den Haag. In de jaren negentig was hij directeur van Madame Tussauds Amsterdam en sinds 1997 algemeen directeur van Het Scheepvaartmuseum.

De collectie van het museum ontwikkelde zich tot een van de meest vooraanstaande maritieme verzamelingen ter wereld. “Dat vereiste professionalisering en een betere presentatie voor het publiek”, legt Bijleveld uit. “Het oude museumgebouw voldeed niet langer. In 1975 verhuisden we naar de huidige, monumentale locatie aan het IJ. We kregen het pand om niet van het Rijk. Daarbovenop kwam een subsidie voor de renovatie.”

Publiek en privaat

Vanaf 1975 was Het Scheepvaartmuseum grotendeels gesubsidieerd en nam de rol van particulieren af. “Zo is het 30 jaar gebleven”, zegt Bijleveld. “Maar inmiddels is ook private financiering niet meer weg te denken. Net als de subsidie overigens, die we van het Rijk ontvangen. Beide zijn essentieel.”

Het museum werd tussen 2007 en 2011 gerenoveerd. “Voor de renovatie van het pand ontvingen we ruim 50 miljoen euro subsidie van het Rijk”, zegt Bijleveld. “De inrichting van het gebouw financierden we met privaat geld. Bedrijven en fondsen droegen bij, met bedragen variërend van 10.000 euro tot 2,5 miljoen. Daarnaast zijn er 250 particulieren die, verspreid over enkele jaren, elk 15.000 euro schonken.”

Bijleveld: “Met bedrijven die ons steunen sluiten we sponsorovereenkomsten. Er bestaan verschillende tegenprestaties voor hun gift. Ze kunnen bijvoorbeeld ons gebouw gebruiken voor bijeenkomsten. Of hun personeel kan met familie gratis naar het museum. Als het gaat om de groep van 250 particuliere geldschieters: die is zeer divers samengesteld. Er zitten hoogleraren tussen, notarissen, advocaten en artsen. We zien onze private donoren als ambassadeurs van ons museum. Ze zorgen voor positieve beeldvorming rond het museum.”

Commercieel

Naast particuliere financiering en subsidie, genereert Het Scheepvaartmuseum ook eigen inkomsten. Bijleveld: “We hebben een eigen bedrijf dat de mogelijkheden van ons pand commercieel uitbaat. Bedrijven en particulieren kunnen overdag en ’s avonds zalen huren voor vergaderingen, huwelijken of feesten en daarbij gebruikmaken van al onze cateringfaciliteiten. Het startkapitaal van het bedrijf was 1,7 miljoen euro. Het grootste deel daarvan was een krediet van Triodos Cultuurfonds.”

Bijleveld gaf leiding aan de omvorming van een bijna volledig gesubsidieerd museum naar een instelling met eigentijdse financiering. Bijleveld: “We hebben vooral geleerd van de Verenigde Staten. Daar is het voor culturele instellingen normaal om commercieel te denken. Het gaat uiteindelijk om de bedrijfscultuur. Je moet de durf hebben om met een propositie op bedrijven en particulieren af te stappen. Tien jaar terug was dat nieuw voor ons. Inmiddels denken we commerciëler en bedrijfsmatiger. Dat is pure winst.”