Ga naarhoofdnavigatie, zoekvak of decontent

Bezuinigen op cultuur - een blessing in disguise?

De kunsten zijn hard toe aan een ander, evenwichtiger systeem van financiering

28-10-2010 | Een bewerking van dit opiniestuk van Eric Holterhues is verschenen in dagblad Trouw op 28 oktober 2010 (Podium, pagina 20)

De financiering van kunst en cultuur staat onder druk en de publieke opinie lijkt daar niet al te veel moeite mee te hebben. Dit dwingt de cultuursector na te denken over de manier waarop de kunsten moeten worden gefinancierd. In mijn optiek is dit een blessing in disguise. De kunsten zijn hard toe aan een ander, evenwichtiger systeem van financiering. Banken kunnen daarbij een veel grotere rol spelen dan nu het geval is. Zij moeten af van het idee-fixe dat het scheppen van kunst per definitie een verlieslatende - en daarom niet bancair financierbare - onderneming is. Overigens heeft ook de cultuursector zelf de weg naar de bank nog onvoldoende gevonden.

Het huidige systeem van kunstfinanciering, dat vooral leunt op subsidie door de overheid, roept fundamentele vragen op. In het slechtste geval worden kunstenaars geheel afhankelijk van subsidie als enige bron van inkomsten - en is de kunstfinanciering afhankelijk van de politieke context en maatschappelijke agenda van dat moment. Het publieke debat dat nu wordt gevoerd doet de kunsten onbedoeld tekort, omdat het geen onderscheid maakt tussen projecten waar per definitie geld bij moet (zoals het conserveren van erfgoed) en projecten die zichzelf kunnen bedruipen (zoals de bouw van een multifunctioneel museumdepot). Het gaat bovendien voorbij aan de vraag waarvóór een initiatief precies geld vraagt: voor exploitatie, een langjarige investering of het opbouwen van een buffervermogen? De discussie zou zich dan ook moeten toespitsen op de vraag met welke specifieke financieringsvormen uiteenlopende kunstvormen of -activiteiten het best gebaat zijn. Alleen met een gedifferentieerd financieringsinstrumentarium krijgen kunstenaars en instellingen een steviger fundament om zich te ontplooien en komt er ruimte voor meer autonomie en beroepstrots.

Banken zijn bij uitstek in staat hieraan een wezenlijke bijdrage te leveren. Zij zijn er op toegerust om investeringsplannen van kansrijke cultureel ondernemers te beoordelen en te financieren met verschillende instrumenten. En juist cultuurmakers kunnen worden aangemerkt als zeer gedreven ondernemers, die met heel hun ziel en zaligheid achter hun 'product' staan.

Als banken, subsidiefondsen en de cultuursector zich meer voor elkaar openstellen, zal het palet van financieringsinstrumenten vanzelf breder worden. Activa die langdurig op de balans staan zijn heel goed door banken te financieren, vanuit het perspectief dat leningen met rente worden afgelost. Denk aan een krediet voor de aanschaf van een bijzondere cello, waarmee een celliste haar spel verder kan ontwikkelen en wordt toegelaten tot het Concertgebouworkest, of de financiering van een nieuwe productiehal van een designer. Ook de subsidiefondsen in de culturele sector kunnen verder kijken: niet alleen aan wie ze het geld schenken, maar ook hoe ze dat doen, bijvoorbeeld in de vorm van een garantiefonds. Subsidiegevers gaan uit van de ingesleten opvatting dat subsidies slechts één maal kunnen worden verdeeld. Een garantiefonds daarentegen keert dit budget niet als eenmalige subsidie uit, maar staat ermee garant voor een veelvoud van dat bedrag aan bancaire leningen. Moet een subsidiegever worden overtuigd van het artistieke belang van iemands werk, met een bank heb je het over de zakelijke kant ervan. Deze benadering geeft toegang tot een extra financieringsvorm en stimuleert bovendien ondernemerschap. Het borgstellingfonds dat wij samen met de Stichting Cultuur-Ondernemen hebben opgezet, is hiervan een goed voorbeeld: met twee miljoen euro beschikbaar budget hebben we al voor twintig miljoen euro kredieten aan kunstenaars kunnen verstrekken. We onderzoeken nu de mogelijkheden om obligatieleningen uit te schrijven (in de Verenigde Staten al gangbaar voor universiteiten en ziekenhuizen) waarmee 'vrienden van' bijvoorbeeld een schouwburg tegen rendement kunnen bijdragen aan hun instelling. Zeker als dit fiscaal wordt gefaciliteerd door de overheid, geeft dit een extra prikkel aan particulieren en bedrijfsleven. En zo zijn er nog legio mogelijkheden.

Triodos Bank is tot op heden de enige bank die zich nadrukkelijk richt op financiering van kunst en cultuur. Dat is vreemd en het is onwenselijk. Ik pleit ervoor dat ook andere banken zich op deze sector gaan toeleggen, want concurrentie is goed voor kunstenaars en culturele instellingen. Zij kunnen zich dan wenden tot verschillende bancaire financiers, wat een bloeiende culturele sector bevordert. Die draagt niet alleen bij aan een dynamische samenleving, maar ook aan economische groei. Investeren in kunst, is investeren in de vitaliteit van een land, stad of buurt. Daar is helemaal niets elitairs aan.

Eric Holterhues is hoofd Kunst en Cultuur van Triodos Investment Management